In 2019 meer koopkracht voor parttimers?
Koopkrachtplaatje? In de koopkrachtplaatjes voor 2019 gaat bijna iedere inkomensgroep erop vooruit. Dat komt door een pakket aan fiscale maatregelen. Die zijn erop gericht om met name werken aantrekkelijker te maken, door ervoor te zorgen dat er van iedere verdiende euro netto meer overblijft. Dat geldt ook voor lager betaalde parttimers. Hoe zit dat? Wat moet u weten?
Tariefsverlaging
2019. Eén van de fiscale maatregelen voor volgend jaar is een forse verlaging van de tarieven in box 1. Dat geldt niet voor de eerste tariefschijf tot een inkomen van € 20.384,-, want het percentage daarvan stijgt met 0,1%-punt naar 36,65%. De overige tarieven dalen wel. Schijf 2 en 3 van 40,85% naar 38,1%, schijf 4 van 51,95% naar 51,75%. Klinkt mooi, en dus?
Algemene heffingskorting. Voor lagere inkomens en parttimers is daarentegen met name de verhoging van het maximum van de algemene heffingskorting van belang. Deze bedraagt nu (2018) maximaal € 2.265,- en wordt volgend jaar (2019) verhoogd naar € 2.477,-. Ook de arbeidskorting wordt verhoogd. Dit pakt met name positief uit voor werkenden met een inkomen tussen € 20.000,- en € 36.000,-.
Positief voor parttimers
Genoemde maatregelen pakken voor wat betreft de algemene heffingskorting goed uit voor parttimers met een laag inkomen. Denk daarbij aan bijverdienende studenten en scholieren. Zij vallen met hun inkomens in de eerste tariefschijf en betalen over hun inkomen in 2019 dus 36,65% belasting. Uitgaande van een algemene heffingskorting van € 2.477,- betekent dit dat ze tot een inkomen van € 6.758,- geen belasting betalen. Nu is dit nog tot een inkomen van € 6.197,-. In 2021 wordt dit zelfs € 7.080,-. Bijna € 900,- meer dus.
Combineer dit dus met vrijstellingen
Nettovoordeel groter. Houd er verder rekening mee dat u ook voor parttimers gebruik kunt maken van diverse vrijstellingen. De scholier die bijvoorbeeld drie keer per week op de brommer tien kilometer naar het werk aflegt, kunt u dus 3 x 10 x 2 x € 0,19/km = € 11,40 per week aan belastingvrije vergoeding voor het woon-werkverkeer verstrekken, ofwel ruim € 500,- netto per jaar. Daarnaast kunt u ook de vrije ruimte van 1,2% van de werkkostenregeling voor hen gebruiken.
Studenten- en scholierenregeling. Bij studenten en scholieren kunt u ook de studenten- en scholierenregeling toepassen (zie ook T&A, jg. 23, nr. 19, p. 6, 13.05.2017). Tip. Dit zorgt ervoor dat u (nog) minder belasting hoeft in te houden, en vanaf 2019 in meer gevallen zelfs in het geheel geen belasting meer hoeft in te houden. Bruto is dan netto voor deze werknemers.
Vergeet jeugd-LIV niet! Voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar die het minimumjeugdloon verdienen, heeft u als werkgever recht op het jeugd-LIV (lage-inkomensvoordeel) (zie ook T&A, jg. 24, nr. 17, p. 8, 14.04.2018). U hoeft hiervoor niets te doen, het UWV regelt dit automatisch voor u. Tip. Zorg dat u het aantal verloonde uren goed aanlevert, anders kan het zijn dat u een deel van het jeugd-LIV mist. Jammer, want het jeugd-LIV kan in 2018 oplopen tot maximaal € 3.286,- (21-jarige).