BTW - 16.12.2010

Het is maar wat je nieuw noemt …

In de praktijk kan het voor de btw (omzetbelasting) van groot belang zijn of er een nieuw pand is ontstaan door een (ingrijpende) verbouwing. Wanneer is hiervan nu sprake en welke gevolgen heeft dat? Waar moet u op letten?

Een lot uit de loterij? U heeft Kinderopvang Cordeen begeleid bij de aankoop van een bedrijfspand. Het pand van een tandartspraktijk was een lot uit de loterij. De ligging was perfect en de prijs redelijk. Er moest wél nog een flinke verbouwing plaatsvinden voordat het pand geschikt was.

Duveltje uit een doosje. De blijdschap van Cordeen was snel voorbij toen er onverwacht een aanslag btw op de mat viel. Zijn accountant weet hem te vertellen dat het gaat om een zogeheten ‘integratieheffing’. Cordeen moet deze heffing betalen omdat hij volgens de Belastingdienst een nieuwe onroerende zaak heeft vervaardigd.

Hoezo ingrijpend?

Voor deze integratieheffing zijn twee zaken van belang.

  • De ondernemer hoeft over zijn werkzaamheden of diensten geen btw te berekenen, de zogenaamde ‘vrijgestelde’ prestaties.
  • Het moet gaan om een zeer ingrijpende verbouwing.

Niet elke verbouwing is zeer ingrijpend. Als gevolg van zo’n verbouwing moet een gebouw ontstaan dat niet kan worden vereenzelvigd met het oude gebouw. U snapt het al: dit leidt in praktijk tot stevige discussies met de Belastingdienst. Inspecteurs willen in de praktijk namelijk nog wel eens snel tot de conclusie komen dat er een goed is ontstaan dat voorheen niet bestond.

Uit de rechtspraak blijkt dat de Hoge Raad strenge eisen stelt aan het het begrip ‘zeer ingrijpende verbouwing’. Volgens de Hoge Raad is het renoveren van een bestaand pand niet te beschouwen als ‘in wezen nieuwbouw’. Kortom: een verbouwing of renovatie zal alleen in zeer bijzondere gevallen tot ‘in wezen nieuwbouw’ en dus tot een integratieheffing leiden.

Wat zei de rechter laatst?

Cordeen verbouwde de tandartspraktijk tot kinderdagverblijf. Toen het kinderdagverblijf in gebruik werd genomen, vond de belastinginspecteur dat er door de verbouwing sprake was van een nieuw onroerend goed, omdat het pand ná de verbouwing niet kon worden vereenzelvigd met het pand van vóór de verbouwing.

Er zou door de inwendige verbouwing ‘naar maatschappelijke opvattingen en ook naar spraakgebruik’ een nieuw pand zijn ontstaan, ook al is dat pand uiterlijk niet ingrijpend gewijzigd. Er moest dus btw worden betaald over het ‘nieuwe’ pand. En omdat Cordeen zonder btw levert en dus ook geen btw kan verrekenen, is dit een dure grap.

De Hoge Raad was het volstrekt niet met de Belastingdienst eens. Van ‘vervaardiging van een goed’ is alleen sprake als er een goed ontstaat dat eerder niet bestond. Volgens de Hoge Raad betekent dit voor onroerende zaken dat slechts sprake is van vervaardiging van een goed, als door de werkzaamheden aan de onroerende zaak in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden.

Daarvan was hier geen sprake omdat er alleen een en ander in de indeling was veranderd om het pand te kunnen gebruiken als kinderdagverblijf. Er hadden geen ingrepen plaatsgevonden die zo ingrijpend waren dat in wezen nieuwbouw had plaatsgevonden (LJN: BM6681).

Let op. De heffing van btw bij onroerende zaken levert vaak (kostbare) onduidelijkheden op. Laat uw cliënt tijdig een deskundige inschakelen.

Een van btw vrijgestelde ondernemer (of onderneming) die grondig gaat verbouwen, moet vooraf de btw-gevolgen goed in kaart (laten) brengen. Ontstaat er door de verbouwing feitelijk een nieuw gebouw, dan moet er namelijk btw worden opgehoest.

Contactgegevens

Indicator BV | Schootense Dreef 31 | Postbus 794 | 5700 AT Helmond

Tel.: 0492 - 59 31 31 | Fax: 040 - 711 17 00

klantenservice@indicator.nl | www.indicator.nl

 

KvK-nummer: 17085336 | Btw-nummer: NL-803026468B01