Btw-ondernemerschap DGA op de schop?
Zoals bekend, heeft de Hoge Raad in 2002 beslist dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die meer dan 50% van de aandelen in een B.V. bezit, voor zijn werkzaamheden voor de B.V. als btw-ondernemer is aan te merken. Hof Amsterdam heeft over dit onderwerp onlangs vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (nr. 04/03813).
Een man was sinds maart 1998 directeur en enig aandeelhouder van een B.V., waarin hij zijn eenmanszaak had ingebracht. Er was geen ander personeel in dienst. Eind 2002 had de DGA de Belastingdienst om toekenning van een btw-nummer gevraagd omdat hij en de B.V. geen fiscale eenheid wilden aangaan. De inspecteur gaf echter een beschikking fiscale eenheid af. De zaak kwam uiteindelijk voor de rechter.
Hof Amsterdam benadrukt dat er voor de btw alleen sprake kan zijn van een fiscale eenheid als de DGA en de B.V. beide ondernemer zijn voor de btw. Volgens de wet is een btw-ondernemer ‘eenieder die zelfstandig economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of resultaat van die activiteit’. Volgens de rechter is deze DGA niet ondergeschikt ten opzichte van de B.V., maar dit betekent nog niet dat de DGA ook zelfstandig economische activiteiten verricht. Het Hof heeft hierover nu vragen gesteld aan het Europese Hof. Let op. Stel nu dat dit Hof beslist dat een DGA die enig bestuurder en enig personeelslid is, niet zelfstandig economische activiteiten verricht. Dan betekent dit dat de DGA geen btw-ondernemer is en dus met zijn B.V. geen fiscale eenheid kan vormen. De regels hierover gaan dan weer op de schop.