Woon-bedrijfspand en waardedruk
Keuzevermogen Een woon-bedrijfspand van de ondernemer behoort vaak tot het keuzevermogen. De ondernemer kan dan zelf bepalen of hij het pand tot zijn privé- dan wel ondernemingsvermogen rekent. Is er gekozen voor de etikettering ondernemingsvermogen, dan behoren alle waardeontwikkelingen van het pand tot de winst, dus ook voor zover deze toerekenbaar zijn aan het woongedeelte.
Waardering Gaat een woon-bedrijfspand tot het ondernemingsvermogen behoren, dan moet er bij waardering op de fiscale balans rekening worden gehouden met de zelfbewoning door de ondernemer en zijn gezin. Van deze zelfbewoning gaat een waardedrukkende invloed uit.
De omvang van deze waardedruk is voorts van belang op het moment dat het pand weer overgaat naar het privévermogen van de ondernemer. Denk hierbij aan de ondernemer die zijn onderneming overdraagt, maar wel in het pand blijft wonen. Voor het (positieve) verschil tussen de waarde in bewoonde staat en de fiscale boekwaarde realiseert de ondernemer dan stakingswinst. Hoe hoger de waardedruk, hoe lager de fiscale (stakings)winst op het pand. Om discussies te voorkomen, heeft de staatssecretaris in een besluit (stcrt. 2018, 35984) daarom forfaitaire regels gegeven om de waardedruk van zelfbewoning te bepalen. Belastingplichtigen zijn overigens niet verplicht hierbij het besluit te volgen, indien zij vinden dat het besluit uitgaat van een te lage waardedruk.
Waardedruk en foutenleer
In de zaak die speelde voor het Hof Arnhem dreef een ondernemer (ecli:nl:gharl:2019:439) sinds 2010 een eenmanszaak. In zijn aangifte IB/PVV 2010 had hij een bedrag van € 520.000 verantwoord onder de post ‘gebouwen’. Dit betrof een woning die de ondernemer in 2009 had gekocht voor € 470.000. In 2013 is de woning overgegaan naar het privévermogen van de ondernemer. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inbrengwaarde te hoog was vastgesteld vanwege zelfbewoning.
Oordeel hof Het hof oordeelt dat de ondernemer bij de inbreng van de onroerende zaak in zijn eenmanszaak in 2010 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waardedruk wegens zelfbewoning. De waardedruk stelde het hof vast op 35% van de waarde in het economisch verkeer. De inbrengwaarde per 1 mei 2010 dient onder die omstandigheden te worden bepaald op 65% van € 498.971= € 324.331. De rechters oordelen vervolgens dat de inspecteur deze fout op basis van de zogenoemde ‘foutenleer’ mocht herstellen. Deze fout kon in het jaar 2013 worden hersteld.
BZ-ADVIES
Wanneer een ondernemer een woning inbrengt in zijn onderneming en die woning wordt door de ondernemer bewoond, dan moet er rekening worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens zelfbewoning.
Zelfbewoning na staking
Een echtpaar drijft samen met hun zoon een melkveebedrijf. In 2007 hebben zij een leeftijdsbestendige woning laten bouwen op het bouwblok waarop ook de oude boerderij is gesitueerd, met de bedoeling deze op den duur zelf te gaan bewonen. De nieuwe woning behoorde tot het ondernemingsvermogen van het echtpaar. In 2012 wordt de vennootschap ontbonden en zet de zoon het bedrijf voort. Daarna is het echtpaar in de oude bedrijfswoning blijven wonen, omdat zij een zorgtaak vervulden ten aanzien van hun ouders en een oom die bij hen inwoonden. Pas in 2014 is het echtpaar naar de nieuwe woning verhuisd. In verband met de heffing van de zogenoemde ‘stakingswinst’ heeft het echtpaar in de aangifte IB/PVV 2010 hun nieuwe woning voor de waarde in bewoonde staat (dus een lagere waarde dan de WEV) overgebracht naar het privévermogen. De inspecteur accepteert die waardedruk echter niet. Naar zijn mening kon er met een waardedruk wegens zelfbewoning geen rekening worden gehouden simpelweg omdat op het moment van staking de nieuwe woning nog niet door het echtpaar werd bewoond.
Hardheidsclausule Het echtpaar is het niet eens met het oordeel van de inspecteur en probeert via de weg van de zogenoemde ‘hardheidsclausule’ (art. 63 awr) de staatssecretaris alsnog tot een ander oordeel te bewegen. Een beroep op de hardheidsclausule is alleen succesvol indien er sprake is van een ‘onbillijkheid van overwegende aard’. Dat wil zeggen: een gevolg van de toepassing van de fiscale wetgeving die de wetgever had willen voorkomen als hij die situatie bij het maken van de wet had voorzien.
Standpunt belanghebbenden Het echtpaar is van oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte geen oog heeft voor de bijzondere feiten en omstandigheden van hun casus.
Hij zou te veel vasthouden aan de letterlijke tekst van het beleidsbesluit van 31 augustus 2009 (stcrt. 2009, 13314) (de voorloper van het hiervoor genoemde besluit uit 2018) in plaats van te kiezen voor een ruimere uitleg op grond van maatschappelijke argumenten. Het echtpaar meent dat dit besluit er juist voor bedoeld is om de waardedruk door duurzame zelfbewoning vast te stellen en dat zij aantoonbaar aan de voorwaarde van duurzame zelfbewoning voldoen. Zij wonen sinds 2014 in de nieuwe woning en zijn niet voornemens de woning te verlaten, tenzij zij daartoe door slechte gezondheid worden gedwongen. Het niet toepassen van de waarderingsgrondslag is voor het echtpaar een hardheid die door toepassing van de hardheidsclausule had moeten worden opgeheven. Er wordt volgens hen geen rekening gehouden met door de overheid zelf geïnitieerde maatschappelijk gewenste toename van zorg in de thuissituatie.
Oordeel staatssecretaris
De staatssecretaris is echter van mening dat er van een onbillijkheid van overwegende aard geen sprake is. De staatssecretaris is van mening dat er alleen ruimte is voor een waardedruk als een ondernemer op het moment van staking van de onderneming zelf in de woning woont en duurzaam blijft wonen. Daarbij wijst de staatssecretaris ook op het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1990. Hierin heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk beslist dat de waardedrukkende factor wegens zelfbewoning alleen geldt als de zelfbewoning reeds bestaat voor de overgang naar het privévermogen. Hij ziet geen aanleiding om in deze casus een ruimhartiger beleid te voeren dan in voornoemd besluit is verwoord en acht de hardheidsclausule niet van toeppassing (tk 2018-2019, 35035, nr. 3) . Het echtpaar kreeg met andere woorden nul op rekest.
BZ-ADVIES
Er is geen ruimte voor waardedruk wegens zelfbewoning als de woning pas na staking van de onderneming wordt betrokken. Zelfs niet als de woning voor staking van de onderneming tot het ondernemingsvermogen werd gerekend.
Tot slot Op verschillende momenten moet er bij overgang van een woning van ondernemingsvermogen naar privévermogen of andersom rekening worden gehouden met waardedruk wegens zelfbewoning. Bepalende factor daarbij is vooral of de woning op het moment van de sfeerovergang daadwerkelijk wordt bewoond.