Pas bij overlijden valt lijfrenteverplichting vrij
Moment waardestijging Na het overlijden van een erflater is er door het vrijvallen van een lijfrenteverplichting sprake van een waardestijging van de aandelen in een BV. Is deze waardestijging belast met erfbelasting? Voor de Hoge Raad was het de vraag of er sprake is van een fictieve erfrechtelijke verkrijging (ecli:nl:hr:2019:235) .
Fictieve erfrechtelijke verkrijging
Een vrouw heeft een lijfrentevoorziening bij de BV waarin haar dochter aandelen houdt. In mei 2015 blijkt dat moeder ongeneeslijk ziek is. De verwachting is dat zij nog maar een paar maanden te leven heeft. In juli 2015 overlijdt de moeder, zodat de lijfrenteverplichting van de BV tegenover haar vervalt. De inspecteur meent dat op dat moment de aandelen in de BV in waarde stijgen. Deze waardestijging is voor de dochter een fictieve erfrechtelijke verkrijging. De dochter stelt echter dat het grootste deel van de waardestijging al plaatsvond in mei 2015, toen bekend werd dat haar moeder spoedig zou overlijden. De Hoge Raad volgt dit standpunt niet. De fictie is bedoeld voor het bestrijden van constructies waarbij een erflater zijn oudedagsvoorziening inbrengt in een BV waarvan een ander de aandelen houdt. Zonder de fictie zou het overlijden van de erflater leiden tot een onbelaste waardestijging van de aandelen. De wetgever wil de situatie waarin een ander de aandelen houdt zo veel mogelijk hetzelfde behandelen als de situatie waarin de erflater zelf de aandelen houdt. Daardoor oordeelt de Hoge Raad dat pas bij het overlijden van de moeder de lijfrenteverplichting naar nul daalt. De fictie is hier van toepassing.