Belastingbesparing via maatschap mag
Constructies die enkel zijn opgezet om belasting te besparen, redden het lang niet altijd bij de rechter. Onlangs zijn er echter twee uitspraken gedaan waarin de rechtbank zo’n constructie toeliet.
BOF. De recente uitspraken hielden verband met de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). De BOF kan een forse besparing (meer dan 1 miljoen belastingvrijstelling!) opleveren bij de overdracht van een onderneming. Als kinderen de onderneming van hun ouders al hebben overgenomen maar de ouders het onroerend goed nog in bezit hebben, hebben de ouders geen onderneming meer. De BOF is dan niet toepasbaar voor het onroerend goed.
Een maatschap als oplossing. Als ouders een maatschap aangaan met hun kinderen en daarbij het onroerend goed inbrengen, kan de BOF mogelijk wel toegepast worden. De fiscus dacht in zo’n geval direct aan een schijnconstructie en vond dat de maatschap fiscaal genegeerd moest worden. De rechter dacht hier echter anders over.
FP-advies
Onroerend goed inbrengen in een maatschap, samen met de onderneming waarin het wordt gebruikt, maakt van het onroerend goed ondernemingsvermogen. Daarmee komt de BOF weer in beeld.
Casus 1. Een moeder bezit landbouwgrond en bedrijfsgebouwen, die ze verpacht aan de onderneming van haar kind. Als moeder 90+ is, wordt het pachtcontract ontbonden en wordt er een maatschap tussen moeder en kinderen aangegaan. De grond en gebouwen worden ingebracht. De inspecteur is van mening dat de maatschap elke realiteit mist. De grond en gebouwen zijn geen ondernemingsvermogen, maar box 3-vermogen. De rechter beslist anders (ECLI:NL:RBNNE:2019:422) .
Casus 2. Een vader heeft in 2000 zijn onderneming gestaakt en verpacht sindsdien de bedrijfsopstallen en landerijen aan zijn (schoon)kinderen. Zij hebben de onderneming voortgezet. In 2012Â gaan de vader en zijn (schoon)kinderen een maatschap aan, waarin de opstallen en landerijen worden ondergebracht. De vader is dan inmiddels 80Â jaar. De inspecteur is van mening dat de maatschap genegeerd moet worden. De rechter deelt die mening niet (ECLI:NL:RBNNE:2019:421) .