TUCHTRECHT - 28.01.2016

Weigering medewerking onderzoek verhindert klacht

Tegen een neuroloog wordt een klacht ingediend naar aanleiding van een rijvaardigheidsonderzoek. Volgens de klager heeft de neuroloog onjuist gehandeld met een brief aan het CBR. Handelde de neuroloog tuchtrechtelijk onjuist?

Wat was er aan de hand?

Geschikt te rijden? Neuroloog N. krijgt van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) het verzoek om de rijgeschiktheid van Vincent te beoordelen. N. maakt Vincent duidelijk dat hij vrijwillig meewerkt aan het onderzoek waardoor Vincent evt. zijn rijbewijs terugkrijgt. Vincent weigert echter mee te werken aan dit onderzoek, waardoor een anamnese niet mogelijk is.

Geen oordeel. N. schrijft aan het CBR dat hij geen anamnese kon afnemen, waardoor hij geen objectieve beoordeling van de rijgeschiktheid kon geven. N. heeft het onderzoek daarom gestaakt.

De klacht

Vincent verwijt de neuroloog dat deze:

  1. in zijn rapportage zaken meedeelt aan het CBR die hij niet tegen hem (Vincent) heeft verteld;
  2. hem niet heeft verteld wat een onderzoek inhoudt en wat de gevolgen zijn als hij niet meewerkt.

Oordeel Regionaal Tuchtcollege

Rapportage. Het college leest in het rapport dat N. heeft uitgelegd dat het om een beoordeling van de rijgeschiktheid ging vanwege een melding door de politie van o.a. ‘vreemd rijgedrag’ en de weigering om mee te werken aan een alcoholcoontrole.

Zwijgend. Uit het rapport blijkt verder dat Vincent geen antwoord gaf op de gestelde vragen en dat daarom het onderzoek gestaakt is. Aan het CBR is gemeld dat een objectieve beoordeling van de rijgeschiktheid van Vincent niet mogelijk was.

Ongegronde klacht. Het tuchtcollege ziet in het optreden van de neuroloog geen tuchtrechtelijk onjuist handelen. De klacht wordt kennelijk ongegrond verklaard en wordt zonder verder onderzoek in raadkamer afgewezen.

Deugt het onderzoek wel?

Hoger beroep. In hoger beroep stelt Vincent dat het protocol voor het onderzoek (beoordeling van de rijgeschiktheid na invordering van het rijbewijs) niet bekend is gemaakt. Vincent had weinig vertrouwen in het onderzoek door de arts en wenste meer informatie.

Volgorde. De arts heeft aangegeven dat hij eerst de visie van Vincent wilde horen om niet alleen van het proces-verbaal van de politie te moeten uitgaan. Pas daarna zou het neurologisch onderzoek worden gedaan. De resultaten van dat onderzoek zouden in een rapport komen en aan Vincent worden verzonden voor inzage- en (evt.) blokkeringsrecht.

Blokkeren? N. kon echter geen rapport opstellen omdat Vincent stelselmatig geen antwoord gaf op relevante vragen en steeds reageerde met wedervragen. Daarom heeft N. het onderzoek gestaakt en geen rapport opgesteld, maar het CBR per brief gemeld dat het onderzoek niet had kunnen plaatsvinden. Vincent vindt dat hij ook voor deze feitelijke mededeling het intrekkings- en blokkeringsrecht had. Hij vindt dat hij de kans had moeten hebben de mededeling aan het CBR tegen te houden.

Oordeel in hoger beroep. Het Centraal Tuchtcollege, (TGZCTG:2015:381) , geeft N. gelijk: er is geen sprake van een rapport, maar slechts van een feitelijke mededeling aan het CBR waarvoor geen inzage- en blokkeringsrecht geldt. Omdat N. Vincent alles had uitgelegd en dit zorgvuldig had vastgelegd, kon hij zijn zaak goed onderbouwen.

Voor een rapport van een arts inzake de rijgeschiktheid geldt het inzage- en blokkeringsrecht van de gekeurde. Voor de mededeling dat de gekeurde weigert mee te werken aan het onderzoek geldt dit niet.

Contactgegevens

Indicator BV | Schootense Dreef 31 | Postbus 794 | 5700 AT Helmond

Tel.: 0492 - 59 31 31 | Fax: 040 - 711 17 00

klantenservice@indicator.nl | www.indicator.nl

 

KvK-nummer: 17085336 | Btw-nummer: NL-803026468B01