Het risico maakt de ondernemer
Heldere rechtspraak. Een ex-belastinginspecteur legde zich er niet bij neer dat hij volgens de Belastingdienst géén ‘ondernemer’ was (en hij dus duizenden euro’s aan ondernemersaftrekken zou mislopen). De Rechtbank Amsterdam stelde de ex-inspecteur in het gelijk. En nu heeft het Hof Amsterdam (LJN: BR4709) het hoger beroep van de Belastingdienst ongegrond verklaard. Een leerzame casus!
Wanneer ondernemer? De rechters beginnen met aan de Belastingdienst nog eens uit te leggen welke omstandigheden van belang zijn:
- duurzaamheid (niet incidenteel) en omvang van werkzaamheden;
- beschikbare tijd;
- winstverwachting;
- debiteurenrisico (wanbetalers);
- ondernemersrisico (claims, kans op omzetdaling);
- omvang van bruto-inkomsten en van investeringen;
- aantal opdrachtgevers;
- bekendheid naar buiten (bijvoorbeeld reclame).
Opdrachtgevers. Heeft u maar één of twee opdrachtgevers, dan wordt door de Belastingdienst (te) snel geconcludeerd dat u géén ondernemer bent. De ex-inspecteur ging als belastingadviseur aan de slag. Hij verrichtte heel veel werk voor één opdrachtgever. Deze opdrachtgever was graag een vaste relatie aangegaan, maar onze man wilde zich niet binden. Daarom was gekozen voor de positie van extern adviseur met de afspraak dat hij minimaal 600 uren werk zou leveren.
Doorslaggevend. De rechters zagen, anders dan de Belastingdienst, toch een ondernemerschap. Met name omdat de adviseur:
- zich bij aangedragen opdrachten kon laten vervangen,
- enig debiteurenrisico en ondernemersrisico liep.
Risico. Het ‘aansprakelijkheidsrisico’ bij foute advisering telde zwaar. Veel zwaarder dan dat de adviseur zich moest schikken (kantooruren, minimumaanwezigheid) naar de organisatie van de opdrachtgever.