Niet alle winst deelneming vrijgesteld?
Een BV maakte winst op een vordering die zij had overgenomen van een BV waarin zij deelnam. Op deze winst was de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing, vond de fiscus. Wat heeft de rechter beslist? Hoe kan dit onbelast?
B BV had 75% van de aandelen in A. In 1993 sloot A een overeenkomst met het waterschap. A investeerde hiervoor en leende 43 miljoen gulden. A kwam in financiële problemen. Om deze op te lossen, nam B BV ruim de helft van de schuld over die A had aan de bank. Als onderpand gaf B BV haar aandelen in A met het stemrecht in pand aan de bank. In 1997 ging A failliet. In de failliete boedel zat een vordering op de waterschappen. De curator droeg de vordering over aan B BV voor de symbolische prijs van één gulden.
Overdracht voor één gulden. Na een lange procedure werd de zaak in 2003 definitief afgewikkeld. Na aftrek van het aandeel van de bank en de kosten ontving B BV € 9.542.795,-. B BV stelde dat de verkoop van de vordering is te beschouwen als een winstuitdeling aan haar, omdat bij overdracht van de vordering deze al meer waard was dan 1 gulden. Daarom valt de winst onder de deelnemingsvrijstelling en zou deze onbelast zijn voor de vennootschapsbelasting.
Standpunt inspecteur
De inspecteur was het hier niet mee eens en rekende de winst op de vordering tot de belastbare winst van B BV.
Standpunt rechter
Hoezo kreeg de fiscus gelijk? De Rechtbank Breda besliste dat het gelijk aan de zijde van de fiscus is. Er kan alleen sprake zijn van een uitdeling van winst aan een aandeelhouder (B BV) als er een bewuste vermogensverschuiving plaatsvindt van de BV naar de aandeelhouder als zodanig. De verkoop van de vordering aan B BV voor 1 gulden was niet bedoeld om B BV als aandeelhouder te bevoordelen. Bij de verkoop van de vordering was het niet voorzienbaar dat de vordering een positief saldo zou opleveren. De verkoopprijs van 1 gulden kan als zakelijk worden aangemerkt. Verder waren bij de overeenkomst tevens de curator en de bank betrokken, hetgeen de zakelijkheid versterkt. Het aangaan van de overeenkomst tot overdracht van de vordering is dus niet te beschouwen als een winstuitdeling.
De waardestijging van de vordering valt dan ook niet onder de deelnemingsvrijstelling en is belast.
Commentaar
Deelnemingsvrijstelling? Via de deelnemingsvrijstelling wordt voorkomen dat er binnen een concern (bijv. holding-BV met dochter-BV’s) twee keer vennootschapsbelasting verschuldigd is over de winsten van de dochter. Als een dochtermaatschappij dividend uitkeert aan de holding, dan hoeft de holding daar geen vennootschapsbelasting over te betalen. Datzelfde geldt ook voor het resultaat dat de holding behaalt als zij haar aandelen in de dochter-BV verkoopt.
Aan aandeelhouder. Alleen winst die aan te merken is als uitdeling van winst aan een aandeelhouder (BV) kan onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Van een winstuitdeling is alleen sprake als er een bewuste vermogensverschuiving plaatsvindt naar de aandeelhouder, die leidt tot een verarming van de BV waarbij de onttrekking van het vermogen plaatsvindt uit reserves. Dus als het te maken heeft met posten die over de winst- en verliesrekening van de dochter-BV gaan, heeft het niets met deelnemingen te maken.
U kunt de besproken uitspraak downloaden van http://belastingen.indicator.nl (BT 14.17.07).
Bron
Rechtbank Breda, 3 augustus 2009, nr. 07/4978